Je zit aan tafel bij je ouders en opeens beginnen ze over die keer dat je als tweejarige per ongeluk de hele pot Nutella leegat. Ze lachen zich rot, halen de foto’s erboven en zweren dat je er daarna urenlang chocolade uitpoepte. Jij? Je kijkt alsof ze het over een volslagen vreemde hebben. Geen enkele herinnering. Noppes. En dat terwijl je blijkbaar de hoofdrol speelde in dat drama.
Welkom bij een van de meest bizarre eigenschappen van je brein: je kunt je letterlijk niks herinneren van de eerste jaren van je leven. Niet je eerste stapjes, niet je eerste woordjes, niet die keer dat je de kat in bad probeerde te doen. Helemaal nada. Psychologen hebben hier een fancy naam voor: infantiele amnesie. En nee, het betekent niet dat er iets mis is met je geheugen. Het is gewoon hoe ieder menselijk brein werkt.
Bijna niemand herinnert zich iets van voor hun derde verjaardag. En zelfs herinneringen tussen drie en zeven jaar zijn vaak zo wazig dat ze net zo goed verzonnen kunnen zijn. Wetenschappers zijn hier al meer dan honderd jaar door gefascineerd, omdat het zo contradictorisch lijkt: die eerste jaren zitten bomvol nieuwe ervaringen, intense emoties en belangrijke momenten—maar je brein heeft blijkbaar besloten om alles te wissen alsof het een vergeten USB-stick is.
Je hersenen waren gewoon nog niet klaar voor de klus
Hier wordt het interessant. Er zit een klein, zeepaardje-vormig structuurtje in je hersenen dat de hippocampus heet. Dit onderdeel is verantwoordelijk voor het opslaan van wat wetenschappers episodische herinneringen noemen: die momenten met een tijd, plaats en emotionele context die samen een verhaal vormen. Bijvoorbeeld: “Ik was zeven, het was zomer, we waren op vakantie en ik viel van de glijbaan.”
Het probleem? Bij geboorte is je hippocampus nog lang niet klaar. Het is alsof je probeert een 4K-film op te nemen met een Nokia 3310: de hardware is er gewoon nog niet. Neurologisch onderzoek heeft aangetoond dat de hippocampus pas rond het derde levensjaar ontwikkeld is om langetermijnherinneringen effectief op te slaan. Daarvoor registreert je brein wel dingen, maar niet op een manier die je later bewust kunt herinneren.
Het is een beetje alsof je constant foto’s maakt maar vergeet op de opslaan-knop te drukken. Je ervaart alles—de kleuren, de geluiden, de emoties—maar het wordt nergens vastgelegd in een vorm die je als volwassene terug kunt halen. Je hippocampus is gewoon nog in de kleuterklas terwijl je brein al een universiteit probeert te runnen.
Plot twist: té veel nieuwe hersencellen kunnen oude herinneringen wissen
Nu komt het echt wilde gedeelte. Jonge kinderhersenen maken een absolute explosie van neurogenese door—dat is de wetenschappelijke term voor het aanmaken van nieuwe hersencellen. Klinkt geweldig, toch? Meer hersencellen betekent meer opslagcapaciteit! Helaas werkt het brein niet zoals een harde schijf.
Recent onderzoek met muizen heeft iets fascinerends aangetoond: al die nieuwe cellen in de hippocampus destabiliseren juist bestaande neurale verbindingen. Bij jonge muizen die heel veel nieuwe hersencellen aanmaken, verdwijnen eerder gevormde herinneringen razendsnel. Bij oudere muizen, waar die neurogenese is vertraagd, blijven herinneringen veel beter bewaard.
Dit zou kunnen verklaren waarom zelfs de herinneringen die je brein als peuter wél probeerde op te slaan later gewoon verdwenen zijn. Je hersenen waren zo bezig met groeien en nieuwe verbindingen maken dat oude informatie simpelweg overschreven werd. Het is alsof je constant nieuwe apps installeert op een volle telefoon en daarbij automatisch oude bestanden wist—behalve dat je niet zelf kiest wat er verdwijnt.
Zonder woorden geen verhaal, zonder verhaal geen herinnering
Er is nog een cruciaal stukje van de puzzel: taal. Volwassenen organiseren hun herinneringen grotendeels als verhalen. Je herinnert je niet zomaar losstaande beelden van je laatste vakantie—je herinnert je het verhaal: eerst dit, toen dat, en plotseling gebeurde er dit. Deze narratieve structuur helpt je brein om ervaringen te coderen en later weer terug te halen.
Baby’s en peuters hebben die taal nog niet. Ze beleven de wereld intens—misschien zelfs intenser dan volwassenen—maar kunnen die ervaringen niet in woorden of verhalen gieten. Er ontbreekt een kritieke laag van organisatie die nodig is om expliciete, autobiografische herinneringen te vormen. Psychologisch onderzoek bevestigt dat kinderen pas rond drie tot vier jaar beginnen met het vormen van samenhangende verhalen over wat ze meemaken, precies de leeftijd waarop de eerste blijvende herinneringen beginnen te ontstaan.
Het is als proberen een film op te slaan zonder ondertitels of beschrijving. Je kunt de beelden zien, maar zonder een manier om ze te labelen en te categoriseren, verdwijnen ze in de chaos van indrukken die je brein dagelijks verwerkt.
Maar wacht: je herinnert je wél dingen, gewoon anders
Hier wordt het verwarrend: baby’s leren natuurlijk wel degelijk. Ze herkennen hun ouders, leren lopen, praten, eten met bestek. Dat vereist toch geheugen? Absoluut, maar hier komt het verschil tussen impliciet en expliciet geheugen om de hoek kijken.
Expliciet geheugen is bewust: je kunt er actief over nadenken en het beschrijven. “Ik herinner me die keer dat…” Dat is expliciet geheugen, en dat vereist een goed functionerende hippocampus plus taalvaardigheden.
Impliciet geheugen is onbewust: vaardigheden, gewoontes, emotionele reacties, dingen die je lichaam en onderbewuste ‘weten’ zonder dat je er bewust over nadenkt. Baby’s hebben vanaf de geboorte een uitstekend impliciet geheugen. Ze leren gezichten herkennen, ontwikkelen voorkeuren, bouwen hechtingsrelaties op—allemaal zonder dat ze zich daar later bewust van zullen herinneren.
Die vroege ervaringen vormen wel degelijk je persoonlijkheid en emotionele ontwikkeling. Ze zijn er, maar gewoon niet toegankelijk als bewuste herinneringen. Het is als de broncode van een programma: cruciaal voor hoe alles werkt, maar niet zichtbaar aan de oppervlakte.
Sorry Freud, maar je had het bij het verkeerde eind
Sigmund Freud had natuurlijk ook een theorie over infantiele amnesie. Volgens hem verdringen we actief onze vroegste herinneringen omdat ze vol zitten met seksueel geladen of verontrustende gedachten die te bedreigend zijn voor ons bewuste verstand. Dramatisch? Ja. Wetenschappelijk onderbouwd? Nee.
Modern neurologisch onderzoek heeft deze theorie compleet van tafel geveegd. Er is simpelweg geen bewijs dat baby’s en peuters het soort complexe, beladen gedachten hebben die verdringing zouden vereisen. De huidige wetenschappelijke consensus is glashelder: infantiele amnesie door hersenontwikkeling is een volkomen natuurlijk gevolg. Het is biologie, geen psychologisch drama. Freud bedoelde het goed, maar zat er gewoon naast.
Waarschuwing: je ‘vroegste herinnering’ is waarschijnlijk nep
Dit is misschien wel het meest verontrustende deel: veel mensen zweren dat ze zich dingen herinneren van hun tweede of zelfs eerste levensjaar. “Ik weet nog echt hoe mijn eerste verjaardag was!” Maar psychologen hebben slecht nieuws: die ‘herinneringen’ zijn hoogstwaarschijnlijk reconstructies, geen echte herinneringen.
Wat gebeurt er? Je hebt verhalen gehoord van je ouders, foto’s gezien, video’s bekeken—en je brein heeft die externe informatie omgezet in wat aanvoelt als een eigen herinnering. Het is een soort geheugenillusie. Je hersenen vullen de lege plekken op met logische details, en voor je het weet ben je ervan overtuigd dat je die momenten echt bewust hebt meegemaakt.
Het fascinerende (en ietwat enge) is dat deze pseudo-herinneringen volkomen echt kunnen voelen, ondanks dat ze nooit in je bewuste ervaring hebben bestaan. Je brein is gewoon ontzettend goed in het creëren van een coherent verhaal, zelfs als dat verhaal gebaseerd is op andermans herinneringen en niet op jouw eigen ervaringen.
Waarom vergeet je brein dit eigenlijk expres?
Vanuit evolutionair perspectief is infantiele amnesie eigenlijk best logisch. Baby’s en peuters leven in een compleet andere wereld dan oudere kinderen en volwassenen. Hun prioriteiten zijn simpel: overleven, basale vaardigheden leren, hechten aan verzorgers. Ze bekijken letterlijk alles vanuit een andere positie (liggend of zittend), hebben geen taal, geen abstract denkvermogen.
Herinneringen aan die periode zouden later weinig praktisch nut hebben voor je functioneren als zelfstandig individu. Waarom zou je brein kostbare opslagcapaciteit verspillen aan herinneringen die irrelevant zijn geworden? Het is efficiënt geheugenbeheer: oude, minder bruikbare bestanden worden automatisch gewist om ruimte te maken voor nieuwe, relevantere informatie.
Het is alsof je smartphone automatisch oude foto’s zou verwijderen die je toch nooit meer bekijkt. Misschien voel je je er even vreemd bij, maar het systeem weet eigenlijk wel wat nuttig is en wat niet.
Wat kun je hier praktisch mee?
Ten eerste: stop met piekeren over waarom je je eerste jaren niet kunt herinneren. Het is neurowetenschappelijk volkomen normaal. Letterlijk iedereen heeft dit. Als je ouders verhalen delen over je vroege kindertijd, geniet ervan als leuke anekdotes, maar besef dat dit hun herinneringen zijn, niet de jouwe.
Ten tweede: wees kritisch over ‘vroege herinneringen’ die plotseling opduiken, vooral in therapeutische contexten. Het brein is verrassend goed in het creëren van valse herinneringen op basis van suggestie, verbeelding of externe informatie. Dat betekent niet dat trauma-herinneringen nooit echt zijn, maar wel dat ons geheugen kwetsbaarder en manipuleerbaarder is dan we graag denken.
Ten derde: waardeer de kracht van impliciet geheugen. Misschien herinner je je niet bewust hoe je leerde fietsen, maar je lichaam weet het nog. Misschien kun je niet terughalen hoe je moeder je troostte als baby, maar die ervaring heeft wel degelijk gevormd hoe je jezelf nu emotioneel reguleert. Die eerste jaren zijn niet verloren—ze leven voort in wie je bent geworden, ook al kun je ze niet bewust oproepen.
De belangrijkste dingen die je moet onthouden over vergeten
- Je hippocampus was gewoon nog niet klaar om langetermijnherinneringen op te slaan voor je derde tot vierde levensjaar
- Te veel nieuwe hersencellen destabiliseerden oude herinneringen door voortdurende neurogenese in je jonge brein
- Zonder taal kon je geen verhalen maken en zonder verhalen geen autobiografische herinneringen opslaan
- Je impliciet geheugen werkte wél perfect en vormde je persoonlijkheid en emotionele patronen vanaf dag één
- Veel ‘vroege herinneringen’ zijn reconstructies gebaseerd op verhalen en foto’s, geen echte herinneringen
Het blijft fascineren
Infantiele amnesie raakt aan iets fundamenteels over hoe we onszelf begrijpen. We denken graag dat ons geheugen een betrouwbare video-opname is van ons leven, maar de waarheid is veel complexer en interessanter. Ons brein is geen harde schijf maar een dynamisch, evoluerend orgaan dat voortdurend keuzes maakt over wat te bewaren en wat te vergeten.
Voor ouders kan dit inzicht geruststellend zijn: je baby zal zich die keer dat je struikelde met de voedingsfles niet bewust herinneren. Maar de liefdevolle interacties, de veilige hechting, de warme emotionele omgeving—die vormen wél de basis van het impliciet geheugen en de emotionele ontwikkeling van je kind.
Die eerste jaren van je leven zijn niet echt verloren. Ze leven voort in hoe je loopt, praat, liefhebt, omgaat met stress, en jezelf voelt in de wereld. Je kunt ze alleen niet bewust oproepen als een Netflix-serie die je opnieuw bekijkt. En misschien is dat maar goed ook—niemand heeft echt behoefte aan glashelder herinneren hoe het was om in je luier te poepen terwijl oma op bezoek was.
Het begrip van infantiele amnesie leert ons ook bescheidener te zijn over geheugen in het algemeen. Als we ons al niet kunnen herinneren wat we als tweejarige meemaakten, hoe zeker kunnen we dan zijn van herinneringen uit latere periodes? Ons geheugen is geen objectieve waarheid maar een constructie—beïnvloedbaar, kwetsbaar, en soms ronduit creatief met de feiten.
En dat is eigenlijk prachtig. Het betekent dat we niet gevangenen zijn van ons verleden, omdat dat verleden zelf al een verhaal is dat ons brein vertelt. We kunnen kritisch blijven, ons realiseren dat wat we ‘zeker weten’ misschien minder zeker is dan we dachten, en openstaan voor het feit dat ons brein zijn eigen redenen heeft voor wat het bewaart en wat het laat gaan.
Inhoudsopgave
